Beesten horen in de natuur


Wat dan weer een grappige opening van mijn nieuwe blog zou moeten zijn, is eigenlijk best triest. Mijn motto is dat beesten in de natuur horen of op je bord en niet in huis als huisdier gehouden zouden moeten worden. Wanneer iemand vijf tot acht honden de hele nacht in de tuin laat blaffen, dan wordt mijn aversie tegen honden opnieuw bevestigd. Nu zou je kunnen stellen dat ik zelf ook een Hond-a in mijn bezit heb, maar die heeft een sleutel. Waarbij ik er direct bij moet vermelden dat ik op mijn beurt de mensen die zeuren wanneer er een roedel Honda’s voorbij komt volkomen begrijp, maar dat doen we normaal gesproken niet op een tijdstip waarop andere mensen slapen.

Mijn nacht bestond dus vooral uit zuchten, draaien en het nog harder aandrukken van mijn oordoppen. Ergens tussen half slapend ergeren en accepteren in besloot ik dat opstaan waarschijnlijk productiever was dan blijven liggen. Na een kop koffie en een goede stortdouche ging ik daarom maar eens op zoek naar iets te eten. Dat valt in Spanje op zondag nog niet mee. Natuurlijk zijn er voldoende restaurantjes open, maar na drie avonden matig eten had ik behoefte aan iets dat niet alleen vult, maar ook daadwerkelijk smaakt alsof iemand er aandacht aan heeft besteed.

Gelukkig bleek ergens tussen de toeristenwinkeltjes een kleine supermarkt open te zijn. Zo’n winkel waar strandballen, zonnebrand en diepvriespizza’s broederlijk naast elkaar liggen. Daar vond ik uiteindelijk groente en pasta. Om nog even terug te komen op het beest dat volgens mij vooral op een bord thuishoort, heb ik uiteraard ook een heerlijk stuk Iberisch varken meegenomen. Hoe dat precies gesmaakt heeft, daar kom ik morgen op terug.

De rest van de zondag verliep opvallend rustig. Misschien is dat ook wel het prettige aan alleen reizen op een oude brommer. Er zijn dagen waarop alles draait om kilometers maken, bochten rijden en hoogtemeters overwinnen. Maar er zijn ook dagen waarop een mens genoegen neemt met een bord pasta, een werkende douche en een stoel waarop je eindelijk eens normaal kunt zitten. Juist die kleine dingen worden onderweg ineens belangrijk. Misschien is dat ouder worden. Misschien is het gewoon ervaring.

Maandag begon uiteindelijk met goed nieuws. Het Iberische varken was prima binnen te houden en dat is op reis toch een geruststellende constatering. Vandaag begon bovendien waarvoor ik eigenlijk gekomen ben. Andalusië liet direct merken dat het geen provincie is waar je gedachteloos doorheen tuft. Ratje “Toe” heeft op meerdere klimmetjes zijn uiterste best moeten doen om boven te komen. Op één helling bleek terugschakelen naar de eerste versnelling zelfs niet voldoende. Op dat soort momenten ga je automatisch een gesprek voeren met een brommer. Alsof extra aanmoediging technisch verschil maakt.

Eerst het zuur en daarna het zoet, want bergaf leek de 4 takt wel een naaimachine en was ik inmens blij met de 4 takt.

Klein lesje techniek dan maar.

Een motor moet eigenlijk steeds vier dingen doen. Brandstof en lucht aanzuigen, dat samenpersen, het laten ontploffen en daarna de uitlaatgassen afvoeren. Bij een tweetaktmotor gebeurt dat allemaal heel snel en compact. De motor levert bij bijna iedere beweging van de zuiger al kracht. Daardoor voelt een tweetakt vaak fel, licht en levendig aan. Een viertaktmotor doet hetzelfde werk rustiger en verspreid over meer bewegingen. Daardoor loopt hij soepeler, stiller en meestal ook zuiniger.

Het grote verschil zit in de smering. Een viertaktmotor heeft onderin het motorblok een voorraad motorolie die voortdurend wordt rondgepompt. Die olie blijft in de motor aanwezig en smeert steeds opnieuw dezelfde onderdelen. Daarom kan een viertakt gewoon op normale benzine rijden.

Een tweetakt heeft dat aparte smeersysteem meestal niet. Daar moet de olie met de benzine mee naar binnen. Terwijl het benzinemengsel door de motor gaat, laat het een dun laagje olie achter op de bewegende delen zodat alles gesmeerd blijft. Daarna verbrandt die olie gewoon mee. Daarom moet er bij een tweetakt olie door de benzine gemengd worden en daarom ruik je vaak die typische brommerlucht en zie je soms rook.

Dat verklaart meteen waarom een tweetakt bergaf zonder gas geven problemen kan krijgen. Bij een viertakt blijft de motor olie krijgen omdat die olie apart rondgepompt wordt. Ook als je geen gas geeft, blijft de smering doorgaan. Bij een tweetakt komt de smering juist mee met het benzinemengsel. Als je lang bergaf rijdt met het gas helemaal dicht, krijgt de motor bijna geen vers mengsel meer binnen. Dat betekent dus ook bijna geen nieuwe olie, terwijl de motor nog wel hard ronddraait door de snelheid van de brommer of motorfiets. De onderdelen kunnen dan te droog worden en te heet raken. In het ergste geval kan de zuiger zelfs vastlopen, wat mensen een vastloper noemen.

Daarom leerden veel mensen vroeger bij oude tweetaktbrommers dat je bergaf af en toe een beetje gas moest blijven geven. Niet om sneller te gaan, maar gewoon zodat de motor voldoende smering bleef krijgen.

Zo krijg ik mijn blog uiteindelijk ook wel op tweeduizend woorden, dus een welgemeend excuus wanneer je langer dan acht minuten moet lezen.

Het einddoel van vandaag was Huelva, helemaal in het zuiden. Niet direct een toeristische trekpleister, maar de route erheen maakte veel goed. Vooral het gebied rond Rio Tinto was bijzonder. Een landschap dat tegelijkertijd prachtig en buitenaards aandoet. Een rivier waarvan het water eruitziet alsof iemand er roest doorheen heeft geroerd en waar je instinctief begrijpt dat je je drinkbeker beter leeg kunt laten. De mijnbouw heeft daar het landschap volledig gevormd. Roodbruine aarde, vreemde kleuren in het water en een omgeving die soms meer op Mars lijkt dan op Spanje.

Onderweg dienden zich ook de eerste Spanjaarden aan die naast je komen rijden, toeteren en enthousiast hun duim opsteken. Dat blijft toch leuk. Een oude Honda werkt blijkbaar internationaal ontwapenend. Zeker wanneer er bagage op hangt, de bestuurder zichtbaar niet meer twintig is en het geheel eruitziet alsof het rechtstreeks uit een vergeelde ansichtkaart is weggereden.

Aan het einde van de rit veranderde het landschap opnieuw. De bergen maakten plaats voor fruitteeltgebieden en lange wegen tussen boomgaarden. Het werd tijd om een camping te zoeken. Daarbij hanteer ik eigenlijk altijd dezelfde filosofie, er is uiteindelijk altijd wel ergens een plek om te slapen. Daarom maak ik nooit een volledig dichtgetimmerd plan. Dat is heerlijk zolang het goed gaat.

Voor wat betreft de camping brak me dat vandaag voor het eerst op. De camping die op de kaart nog vrolijk aanwezig was, bleek simpelweg gesloten. Geen receptie, geen mensen, geen sanitair, helemaal niets. Het alternatief lag vervolgens nog eens veertig kilometer verderop en dat voelde na deze dag net iets minder avontuurlijk dan vanmorgen.

Omdat het kan, werd het dus een hotel. Dan kan meteen de powerbank weer opgeladen worden, want ook moderne technologie blijkt uiteindelijk verrassend belangrijk wanneer je met een oude brommer door Zuid Spanje rijdt. Zelfs romantiek heeft tegenwoordig USB nodig.

Morgen gaat de route richting Gibraltar. In de hoop dat ik halverwege wel een camping tegenkom, want vierhonderd kilometer op één dag is zelfs mij iets te enthousiast.